Xenophanes vluchtte voor de Perzische oorlogen in Ionië (landstreek langs de westkust van Klein-Azië) naar Zuid-Italië en zwierf als dichter en vrijdenker lands de stadstaten van het oude Griekenland. Net als
Thales bekritiseerde hij het
homerische concept van
antropomorfe goden. Xenophanes zei dat de goden van
Homerus (dichter van de epische gedichten de Ilias en de Odyssee) alle immorele en verwerpelijke eigenschappen van de
imperfecte mens bezaten en nauwelijks het object van verering konden zijn. In 1 van de eerste uitingen van
cultuurrelativisme die we kennen, stelde Xenophanes dat de goden van Homerus niet meer waren dan een weerspiegeling van de homerische cultuur.
Hij zei: "De Ethiopiërs maken hun goden zwart en geven hen een platte neus; de Thraciërs zeggen dat ze blauwe ogen en rood haar hebben". Als ossen en paarden handen hadden en konden schilderen, zei Xenophanes, zouden ossen de goden ongetwijfeld als ossen afbeelden en paarden zouden hen als paarden schilderen.
Hij bekritiseerde ook de doctrine van de zielsverhuizing van Pythagoras en stak de draak met het idee dat een menselijke ziel in een ander dier terecht kon komen. Xenophanes had een vaag concept van een god, die 'in geen enkel opzicht in vorm of gedachte op de mens lijkt' en die 'alle dingen veroorzaakt door gedachten in zijn geest'.
Thales meende dat water het
eerste principe van de natuurlijke fenomenen was, maar Xenophanes dacht aan
modder. Xenophanes had namelijk de fossiele resten van zeedieren in de aarde gezien en dacht daarom dat de wereld periodiek opdroogde en zo terugkeerde naar de oorspronkelijke modderige staat, waardoor de levensvormen in de aarde vast kwamen te zitten en geconserveerd werden voordat het proces weer omkeerde.
Xenophanes was ook de eerste denker die anticipeerde op de waarschuwing van
Socrates om voorzichtig te zijn met claims van zekere
kennis.
Filosofische zekerheden bestonden volgens Xenophanes niet, want zelfs als we bij toeval op de
waarheid stuiten, is er geen enkele manier om zeker te weten dat de dingen zijn zoals we denken dat ze zijn. Toch maakt dat het filosofische onderzoek niet nutteloos, want door het aan het licht brengen van fouten in ons denken weten we in ieder geval wat niet het geval is, ook al weten we niet zeker wat wel het geval is. Dit idee heeft een moderne tegenhanger in de
falsificatiemethode van
Karl Popper.